Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php on line 3

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php:3) in /home/thereceptor.nl/public_html/templates/item.php on line 21

Kinderen van de Koude Oorlog: koud, kouder, koudst, lauw

Share on facebook Share on twitter
a A
Kinderen van de Koude Oorlog: koud, kouder, koudst, lauwBernhard van Lippe-BiesterfelAgent Orange 2, Erik Varekamp & Mick Peet.d en zijn broer Aschwin, 1934 
(Uit: Erik Varekamp & Mick Peet, Agent Orange 2: Het huwelijk van prins Bernhard, Amsterdam: Uitgeverij Van Praag, 2006)
— Nina ThiboThursday August 15 2013

De Koude Oorlog was vooral een oorlog van de verbeelding, en wie kan daarmee beter uit de voeten dan kinderen? Vier Soesterbergers kijken terug op hun jeugd, met uitstapjes voor en achter het IJzeren Gordijn.


Koud

‘Het was zomer en we hadden een nieuw spelletje. We deden meel in een ballon en die ballon bliezen we op, maar zo dat hij niet knapte. Dan had je een heel zware ballon die niet in de lucht bleef hangen, daarom hingen we die ballon dan op aan een touwtje aan iets hoogs. Meestal aan een tak van een boom, want we moesten dit spelletje van mijn moeder buiten doen, nadat we het voor de eerste keer op mijn kamer hadden gedaan. Van school jatten we vaak zwarte en rode inkt uit het tekenlokaal, dat mengden we dan totdat het dieppaars was, tegen het zwarte aan, want we deden er altijd te veel zwart bij. Wat we ook soms deden, was bramen plukken en die pletten tot een paarse moes, dat gaf een beetje hetzelfde effect en had ook nog een groezelend reliëf qua substantie.


We waren meestal met z’n vieren, en ieder kreeg een handjevol paarse inkt of bramenmoes. Ik hoef niet te zeggen dat dit veel geknoei was altijd. Met z’n vieren stormden we van een afstandje op de ballon af, eentje had een naald waarmee hij in de lucht moest springen om de ballon kapot te prikken. Je moest zorgen dat je de inkt of de bramenbrij op je gezicht had gesmeerd voordat het meel in een stuifwolk over ons neerdaalde.


We deden alsof we dood neervielen onder het slappe vel van de kapotgestoken ballon. Het meel moest de paddenstoelenwolk van een atoombomexplosie voorstellen, maar het was meestal niet echt spectaculair genoeg, omdat het meel gewoon naar beneden viel en niet in slow motion nog secondenlang in de lucht bleef hangen. Maar het effect van onze paarse gezichten waar wat meel op was neergedaald, was altijd wel te gek, al was het alleen al omdat het zo smerig was.


Omdat onze special effects zo ondermaats waren, moesten we het vooral hebben van ons acteerwerk. We vielen dus dood onder de miniplof van de meelwolk die niets voorstelde, en transformeerden ter plekke in wat je tegenwoordig zou omschrijven als “zombies”. Met z’n vieren lagen we daar gelijktijdig epileptische aanvallen te hebben en te stuiptrekken alsof het meel een soort zoutzuur was wat op onze gezichten en lichamen zat. Het leukste was als er net wandelaars voorbijkwamen of fietsers, meestal kozen we een boom naast een fietspad. Dan lagen we daar net dood te gaan om de transitie te maken naar een volgend leven als radioactieve zombies, terwijl er net ouders met een klein meisje voorbijliepen. Ja, dat was lachen.


Als ik thuiskwam met een paars gezicht vol blubber wist mijn moeder wel hoe laat het was. “Ben je weer radioactief?”, zei ze dan. Een keer zei ze: “In mijn tijd speelden we cowboy en indiaantje, wat zijn de tijden veranderd. Waar is de onschuld gebleven? Nu spelen jullie atoombomexplosie.” Ik weet nog dat ik, zelfs al was ik pas zo jong toen – het was 1963, dus ik was twaalf jaar – dat ik dacht: maar wat zullen andere kinderen dan gaan spelen in de toekomst? Dat was voor het eerst dat ik besefte dat het weleens helemaal leeg zou kunnen zijn, die toekomst, omdat er geen aarde meer zou zijn, die zou dan tegen die tijd allang in zijn totaliteit zijn opgeblazen.’


(Met dank aan: Frans de Jong, Soesterberg.)

 

Kouder

‘Of er een dreiging voelbaar was, als kind tijdens de Koude Oorlog? Het antwoord is ja en nee. De eerste keer dat ik het effect van een atoombomexplosie begreep, en daardoor ook de dreiging van een kernoorlog, was door een fotoserie in een wat ouder exemplaar van het tijdschrift Life, waar mijn vader via zijn werk op geabonneerd was. Het artikel in Life kon ik niet lezen, dat was te moeilijk. Maar ik weet nog wel dat ik die plaatjes zag en dat ik dacht: zou dat hetzelfde zijn als een zandstormtornado, als je daarin terechtkomt? De foto’s waren gemaakt van een aantal nucleaire testexplosies in een woestijn bij Las Vegas in de buurt. Omdat ze wilden kijken wat het effect op mensen zou zijn, hadden ze overal van die mannequins neergezet, aangekleed en wel. Na de ontploffing waren dan bijvoorbeeld bij sommige van die dummy’s de armen er afgerukt, of ze hadden omgeknakte benen. Of hun kleren waren helemaal verfomfaaid. Alhoewel het er grappig uitzag, al die foto’s van etalagepoppen in de woestijn die in van die rare standjes stonden, snapte ik wel dat het eigenlijk niet grappig bedoeld was.


Mijn vader was heel erg bezig met de stand van de wereld, hij wilde altijd weten hoe alles ervoor stond en luisterde ook hele avonden naar de radio, naar de BBC World. Hij werkte op een gegeven moment op de vliegbasis, maar ik kan niet zeggen wat hij daar precies deed, het had met veiligheid te maken en mijn ouders deden er altijd heel geheimzinnig over. Achteraf denk ik dat het niet zo veel voorstelde, anders hadden we wel in een groter huis gewoond en een auto gehad. Dat soort dingen interesseren mij niet hoor, maar wat ik bedoel te zeggen is: volgens mij verdiende hij niet veel, omdat het gewoon niet belangrijk genoeg was.


Toen er een nieuwe golf Chinezen naar Nederland kwam, in de eerste tien jaar na de Tweede Wereldoorlog, om Chinese restaurants te beginnen, daarvan weet ik nog wel dat dat een curieus en verdacht verschijnsel was voor mijn ouders. Wat kwamen ze doen, die Chinezen, en waarom bleven ze niet bij de havens in de buurt, zoals de eerste golf gedaan had in de jaren 1920. Waarom verspreidden ze zich nu over heel Nederland, was dit ter infiltratie? Wat waren hun intenties? Waren zij verkenners? Mijn moeder heeft het lang tegengehouden dat we naar de Chinees in De Bilt gingen. “We gaan toch ook niet bij de buren eten”, zei ze dan. Daarmee bedoelde ze de buren in Soesterberg aan de linkerkant, waar mijn ouders altijd mee op gespannen voet leefden. “Het vijandelijke kamp”, zo werd aan de familie Schoonhoven gerefereerd. Het was mijn ouders’ eigen kleine koude oorlog. Ik vond ze heel aardig, die meneer en mevrouw Schoonhoven, maar hun “moraal deugde niet”, zoals mijn moeder destijds placht te zeggen.


Na jaren, wat zeg ik, jáááren van zeuren door mijn zusje en mij, gingen we uiteindelijk toch naar de Chinees. “Laten we het zien als een leerzame ervaring. We gaan dus bij de communisten eten”, zei mijn moeder. Het etentje verliep tamelijk desastreus. Mijn moeder vond alles vies en mijn vader vond alles te duur. Het was ter ere van mijn zusjes verjaardag, dit was wat zij had uitgekozen om het te vieren, maar na een halfuur was ze al huilend weggelopen van tafel omdat mijn ouders ruzie hadden over het menu, dat ze niet begrepen.


De Chinese vrouw die ons bediende aan tafel sprak heel slecht Nederlands, het was echt bijna niet te verstaan, zoiets zou vandaag de dag niet meer voorkomen. Ook waren het toentertijd veel meer echte authentiek Chinese gerechten volgens mij. Wat je nu in het algemeen aantreft in een Chinees restaurant in Nederland is totaal naar de slappe smaak van de Nederlandse consument gemoduleerd.


Het ergste bij dat etentje moest trouwens nog komen, mijn zusje zat huilend op de wc en ik moest haar terughalen. Toen ik terugkwam, zonder mijn zusje, want die bleef op de wc zitten, bleken de buren binnen te zijn gekomen. Voor mijn moeder was blijkbaar het “communistengehalte” in het restaurant te hoog geworden en ze gooide een aantal guldens op tafel en vertrok naar waar de fietsen stonden. Mijn vader en ik bleven wachten op mijn zusje en ik probeerde nog snel alles naar binnen te proppen van wat er op mijn bord lag. Toen we daarna naar de fietsen liepen, kwam de Chinese mevrouw ons achterna, ze gaf alle guldens terug. Ik heb me nog nooit zo geschaamd.’

(Met dank aan: Henk Koning, Soesterberg.)

 

Koudst

‘We liepen door de nacht, allemaal gehuld in een dekentje. Ik was zeven, mijn drie broertjes waren drie, tien en twaalf. Mijn dekentje was roze met een geel paardje erop. Mijn broertje van drie werd de hele tijd overgeheveld tussen mijn moeder, de buurman en mijn oudste broer. Niemand had puf om hem op zijn rug te dragen, vooral mijn broertje van twaalf niet. Ik weet nog dat ik het wel gezellig vond in het begin. Mijn moeder had een soort fakkel waarmee ze vooropliep, het leek op een nachtelijke speurtocht. De eerste nacht waren wij, de kinderen, in opperbeste stemming, dat mijn moeder erg stil was viel ons toen nog niet zo op, ook al was ze normaal gezien altijd heel babbelig. Dat de buurman meeliep vonden we ook normaal, want hij kwam altijd heel vaak bij ons over de vloer, hij had een slagerij in de straat waar we woonden. Vanwege die winkel hoefde hij het leger niet in. Onze vader was wel altijd weg, ik kan me hem dan ook niet meer herinneren. Ik was te klein toen de oorlog begon en toen hij afgelopen was kwam hij niet meer terug. Hij schijnt te zijn opgepakt.


Na een paar nachten van hetzelfde was de pret er allang af. We waren toen al in een ritme gekomen van ’s ochtends bij vreemde mensen aankomen in een of ander onbekend dorp en daar werd je dan in een vreemd huis in een vreemd bed te slapen gelegd. Terwijl het overdag was! Je snapt dat dat niet werkte. We waren doodvermoeid als we weer de halve nacht gelopen hadden, maar ’s ochtends slapen op commando dat lukte helemaal niet. Meestal werden we alle vier opgesloten in een kamertje, je moest je plas ophouden, wat soms niet lukte. Als we niet in het huis mochten, maar in de schuur of op een hooizolder moesten slapen, was dat eigenlijk fijner.


Het was een gekke tijd. We waren al snel echt heel erg vies, alles plakte en we stonken. We hadden allemaal een soort samengebonden pakket op onze rug waar een extra stel kleren in zaten, maar die mochten we niet gebruiken. Ik wist niet waar we naartoe liepen, ik kon me er geen voorstelling van maken. We zijn uiteindelijk naar Utrecht gelopen. Nederland vond ik een heel grappig land, al die kleine huisjes, het had iets liefelijks. Nu ik terugkijk vind ik het onvoorstelbaar wat voor uithoudingsvermogen kinderen eigenlijk hebben. Vandaag de dag zou je kinderen echt zo gek niet meer krijgen om ze drie weken lang elke nacht urenlang te laten lopen.


Mijn vader was een nazi. Mijn moeder koos eieren voor haar geld toen de oorlog was afgelopen en ze allang een affaire met de buurman was begonnen. Ze besloot dat we zo snel mogelijk naar Nederland moesten vluchten, voordat we allemaal afgerekend zouden worden op mijn vaders daden. Na jaren in Utrecht gewoond te hebben, kwamen we uiteindelijk terecht in Soesterberg. Mijn pleegvader, de slager, was van de weeromstuit communist geworden. Mijn moeder was in Duitsland eerst voor de nazi’s geweest, maar het was een onontwikkelde vrouw die haar visies op de maatschappij niet helemaal op een rijtje had. Ik denk dat ze altijd blindelings de man in haar leven volgde, dus toen de slager een communist werd, werd zij dat ook.


Toen ik 32 werd, heb ik voorgoed met haar gebroken. Ik kon het niet aan dat mijn vader een nazi was geweest, maar ik kon het ook niet aan dat mijn moeder een communist werd. Al die ideologieën, daar walg ik van. Ik heb naderhand geprobeerd me in het communisme te verdiepen, maar tijdens de Koude Oorlog was ik altijd bang. Bang dat de ene gek te kwaad werd gemaakt door de andere gek en dan maar uit woede of zelfs irritatie op de rode knop zou drukken. Die rode knop, dat was destijds voor mij heel reëel. Dat zoiets futiels als zo’n klein rood knopje zo veel vernietiging teweeg zou kunnen brengen. Mijn moeder heeft tot haar dood haar best gedaan om contact met me te zoeken. Ik ben haar blijven negeren. De ideologieën die ze aanhingen, mijn beide ouders, zijn voor mij een teken dat een kind soms zijn eigen emoties opzij moet zetten en omwille van het grote geheel afstand moet doen van die ouders. Het grote geheel, daarmee bedoel ik de maatschappij in het algemeen, moet vrijgehouden worden van extremen, dat is de conclusie die ik tot op de dag van vandaag getrokken heb.’

 

(Met dank aan: Elsie de Jong-Brinkmann, Amsterdam.)

 

Lauw 

‘Ik was veertien toen ik het liedje Russians van Sting helemaal grijs draaide. Ken je die tekst nog? Even opzoeken: 

 

In Europe and America, there’s a growing feeling of hysteria

Conditioned to respond to all the threats

In the rhetorical speeches of the Soviets

Mr. Krushchev said we will bury you

I don’t subscribe to this point of view

It would be such an ignorant thing to do

If the Russians love their children too

 

How can I save my little boy from Oppenheimer’s deadly toy

There is no monopoly in common sense

On either side of the political fence

We share the same biology

Regardless of ideology

Believe me when I say to you

I hope the Russians love their children too

 

There is no historical precedent

To put the words in the mouth of the President

There’s no such thing as a winnable war

It’s a lie we don't believe anymore

Mr. Reagan says we will protect you

I don’t subscribe to this point of view

Believe me when I say to you

I hope the Russians love their children too

 

We share the same biology

Regardless of ideology

What might save me, me and you

Is if the Russians love their children too

 

Ja, natuurlijk is het een draak van een liedje, maar het was wel de soundtrack van mijn jeugd. Ik was er heel erg mee bezig, met de dreiging van een reusachtig, donker en immer stug besneeuwd land waar je verder niks over wist, behalve dat zelfs kinderen er wodka dronken, en dat het ‘ons, het Westen’, zou kunnen gaan aanvallen. Elke kans om het er in de klas over te hebben bij geschiedenis of maatschappijleer greep ik aan, maar ik kan niet zeggen dat mijn enthousiasme gedeeld werd door mijn klasgenoten. Het leefde alleen onder een klein groepje die ook lid waren van Greenpeace en waarvan de meesten vegetariër waren.


Er is een keer een militair van de vliegbasis in de klas komen praten over wat we moesten doen bij een evacuatie indien er een oorlog uit zou breken, als een soort voorlichtingsles. Maar die ochtend hoorden we van een meisje uit de klas boven ons die heel spectaculair zelfmoord had gepleegd, dus niemand, zelfs ik niet, had ook maar de minste aandacht voor de “eventuele” procedure die we moesten volgen, indien er die “eventuele”, vrij onzichtbare oorlog zou uitbreken. Het was gewoon de ver-van-mijn-bedshow.


Toen we in 1986 met school vijf dagen op excursie gingen naar West-Berlijn, was er ook het uitstapje naar de DDR. Mijn vader had van tevoren grapjes gemaakt en gezegd “Als je DDR-marken krijgt, dan wordt dat nog moeilijk om ze uit te geven daar, ze hebben alleen maar rommel in de winkels. Communisten hebben namelijk geen smaak. Dat hoort er een beetje bij als je communist bent. Je kunt je marken beter gewoon afgeven aan een kind of zo, die zal daar blij mee zijn.” Toen we daar waren die dag, moesten we verplicht kennismaken met een Oost-Duitse schoolklas in het Oost-Berlijnse gedeelte. Dat is nu trouwens een hele hippe wijk. We hebben ze van een afstandje bekeken, het was nogal geforceerd, en ik was me ervan bewust dat dit mijn enige kans was om echte communisten te ontmoeten. Ze waren niet “de directe vijand”, maar stonden “onder vijandelijk toezicht”. Dit was het dichtste bij de echte vijand dat je maar kon komen; ik bedoel voor mij dan, als scholier uit Soesterberg. Maar ik was toen vijftien en ik was niet dat je zegt bepaald sociaal handig. Er was een heel mooi Oost-Duits meisje, ze was inderdaad heel erg slecht gekleed, en ik probeerde haar aandacht te lokken door bij de disco ’s avonds opvallend te dansen. We hadden zelf cassettebandjes meegenomen die ze daar konden draaien, want we dachten dat ze zelf geen muziek zouden hebben. Van tevoren hadden we namelijk bedacht dat de communisten waarschijnlijk op trommeltjes zouden slaan bij een disco. Ursula, zo heette ze, was dan wel een heel mooi maar ook een ontzettend nors meisje, dat pas na uren inspanning van mijn kant een piepklein beetje ontdooide. Ik vroeg haar of ze ook bang was voor de Russen en toen zei ze: “Nee, we zijn niet bang voor de Russen. We zijn bang voor iedereen, want we zitten tussen iedereen ingeklemd.” Toen we terug moesten naar de bus heb ik gevraagd of ze penvriend met me wilde worden, maar dat zag ze niet zitten. “Das hat total keinen Zweck”, zei ze. Drie jaar later viel de muur, ik moest toen aan haar denken. Ursula leek me geen meisje dat juichend het Westen tegemoet zou rennen.’

(Met dank aan: Geerten v.d. Pas, De Bilt.)

Close page