Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php on line 3

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php:3) in /home/thereceptor.nl/public_html/templates/item.php on line 21

De Russen kwamen niet

Share on facebook Share on twitter
a A
De Russen kwamen nietJournalist Henk Hofland in de trein, 1979 Nationaal Archief/Spaarnestad Photo
— Joeri BoomSaturday September 10 2011

 UG-73-91 achter het IJzeren Gordijn

 'Wat een rare tijd was dat, zeg.' Henk Hofland, gelauwerd columnist en essayist, blikt met oorlogsverslaggever Joeri Boom terug op zijn reizen naar Oost-Europa tijdens de Koude Oorlog. In 1956 deed de Algemeen Handelsblad-redacteur verslag van de opstand tegen de communisten in Boedapest.




'In Oost-Berlijn hadden ze al veel vroeger kapitalistische trekjes dan de meeste mensen beseffen. Op het hoogtepunt van het communisme zat ik in het Grand Hotel aan Unter den Linden. Daar hadden ze een deurmat met rolborstels die vanzelf je schoenzolen schoonmaakten. En een zwembad vol rubberen eendjes. We aten in een restaurant met damesbediening en die waren uitgedost als cancandanseressen uit de jaren twintig, in smoking; niet te geloven wat een onzin.

Een collega van een Oost-Duits weekblad informeerde of het beviel in het Grand Hotel. 'Uitstekend', antwoordde ik.

'Ja', zei hij, 'wenn wir im Osten etwas machen, machen wir es richtig.''

 

Henk Hofland (84), beroemd journalist en onvermoeibaar columnist, commentator, romancier en essayist, kreeg in maart de PC Hooftprijs: de hoogste onderscheiding die een Nederlandse auteur ten deel kan vallen. Hij kreeg hem voor zijn gehele oeuvre. Daartoe behoren tientallen reportages vanuit Oost-Europa en de Sovjet-Unie. Een deel daarvan bundelde hij in de boeken De wording van het Wilde Oosten (1991) en Het kruiend wereldbeeld (1987). Wie van hem iets wil weten over de Koude Oorlog, hoeft geen vragen te stellen. Hij steekt meteen van enthousiast van wal, want voor hem was die duistere episode die duurde van net na de Tweede Wereldoorlog tot aan de val van de Berlijnse Muur in 1989, allesbehalve grijs en grauw. Het leven aan de andere kant van het IJzeren Gordijn geheimzinnig?Niet voor Hofland. Destijds was hij buitenlandverslaggever voor het Algemeen Handelsblad. Hij stapte geregeld in zijn Volkswagentje met kenteken UG-73-91 en trok naar het Oosten, waar hij met open armen werd ontvangen.

Hofland vertelt in zijn Amsterdamse werkkamer met zichtbaar plezier, onderwijl menig sigaret opstekend. Aan de wand hangt een portret van Trotski. Niet dat Hofland communistische sympathien heeft. Verre van. Hij is een echte 'vrijheidsman'. Maar voor Trotski, die in 1940 op last van Stalin werd vermoord, heeft hij respect. 'Ik kocht het schilderij in New York, voor tweehonderd dollar. Hij hing naast Stalin. Ik kon ze samen krijgen voor driehonderd. Maar Stalin, dacht ik, die komt niet in mijn huis te hangen.'

In 1955 kwam hij voor het eerst achter het IJzeren Gordijn, op uitnodiging van de Tsjecho-Slowaakse regering, die contact had opgenomen met het Algemeen Handelsblad. Zo ging dat nog in die tijd. Hofland werd meteen gegrepen door de sfeer. 'Ik keek mijn ogen uit. Bij ons was al de welvaart uitgebroken, maar tussen Plzen en Praag zag ik alleen wat Skoda-vrachtwagens en een enkele Skoda-personenauto met een staartvin en de motor achterin. In Praag logeerde ik in een prachtig Jugendstil-hotel. Daar heerste me toch een bedremmelde, samenzweerderige sfeer. Vooral in de eetzaal en aan de bar. Op een gegeven ogenblik, terwijl het diner werd geserveerd en de eetzaal vol mensen zat, zette het orkestje dat er speelde de Marseillaise in. De hele eetzaal stond op en zong uit volle borst. Dat was voor het eerst dat ik kennis maakte met de verzetssfeer achter het ijzeren gordijn.'

 

T34-tanks

Een jaar later barstte het protest los. Eerst kwamen Poolse studenten in verzet tegen de communistische regering. De opstand werd bruut neergeslagen door de veiligheidsdienst. Vlak daarna sloeg de vlam in de pan in Hongarije. 'Dus ik weer in mijn volkswagentje gestapt. Niet op uitnodiging dit keer. Hup, direct erheen. Ik kwam bij een grensplaats en daar stonden Hongaren met een vlag waaruit het communistische embleem geknipt was. Ze zeiden: 'Welkom, heer uit het Westen. Wat komt u doen?' Ik vertelde dat ik naar Boedapest wilde en dat ik journalist was. Ik bereikte de buitenwijken van Boedapest en dat beviel me wel. Dat was me een rotzooi, onbeschrijfelijk. Barricades, tramwagens ondersteboven. Ik kom daar een auto tegen met Nederlands kenteken, de andere kant op. H', denk ik, landgenoten. Toch even stoppen. Wie stapt er uit? Cees Noteboom (schrijver van reisromans ' red.). Hij zegt: 'Je moet terug! Het wordt daar gevaarlijk.' En ik maar proberen hem aan zijn verstand te brengen dat ik daarom juist die kant op moest.

'Ik vond een kamer in het Duna Hotel, aan de Donau. Ik heb er de hele opstand zich zien voltrekken. De opstandelingen werden de baas. En toen kwamen de Russen. De avond dat de Russische tanks binnenkwamen, zat ik op mijn hotelkamer. Buiten hoorden we een ontzettend lawaai en geknal. We kijken uit het raam en zien de eerste Russische T34-tanks oprukken langs de Donau, richting het stadscentrum. De volgende dag waren er vreselijke vechtpartijen.

'Er waren vijf Nederlandse journalisten, waaronder Alfred van Sprang van de NCRV en het christelijke blad De Spiegel. Hij stond in de telefooncel met de allerlaatste verbinding met het Westen. Ik had mijn stukje klaar en gebaarde tegen Van Sprang: niet ophangen, ik moet ook nog. Toen hij klaar was met het doorbellen van zijn tekst keek hij me aan en hing pontificaal op. 'Sorry', zei hij. 'Macht der gewoonte.' Daar ging mijn laatste kans om een nieuwsstuk door te bellen naar Het Algemeen Handelsblad.

'Uiteindelijk zijn we naar de Franse ambassade gegaan, want daar was het veiliger, zeiden ze. In de ambassadetuin ontspon zich een vechtpartij met studenten die werden neergeschoten. Drie lijken. Geen pretje. De Russen wonnen. De Franse gezant wilde ons niet meer beschermen, dus werden we het land uit gezet. Vijf autootjes begaven zich richting de grens. Ik had geen aanvechting te blijven, moet ik eerlijk zeggen. Het was echt oorlog en ik was bang voor mijn hachje.'

 

Playboy

Toch duurde het niet lang voordat hij weer oostwaarts trok. Henk Hofland: 'Er was iets met die sfeer daar in het Oostblok. Ik kon er geen genoeg van krijgen. Als ik de kans zag stapte ik in de trein naar Amersfoort, dan overstappen op de Hoek van Holland Express: Oost-Berlijn, Warschau, Riga, Tallinn. In Vilnius stond ik met m'n neus op een opstand. In Warschau zocht ik in de jaren tachtig de ongehoorzamen van Solidarnośćop. Ik had er een afspraak met de minister van Buitenlandse Zaken; ik had een nummer van de New York Review of Books voor hem meegenomen: voer voor intellectuelen. Ik dacht echt dat ik hem daar reuze blij mee zou maken. Dat was hij ook. Maar, zei hij, meneer Hofland, als u nou nog eens komt, kunt u dan het laatste nummer van Playboy meenemen?'

The Receptor: Wat trok u zo aan in het Oostblok?

Hofland: 'Het leven was er simpeler. Het deed denken aan onze oorlogstijd; hulpvaardiger, hartelijker en tegelijk wantrouwender. Op straat rook het er naar nafta, het soort benzine wat ze daar hadden. En naar koolrapen. Oud eten, ongeluchte kamers. Ik vond er meer avontuur dan hier, in onze Nederlandse verzorgingsstaat.'

The Receptor: Werd je niet in de gaten gehouden?

Hofland: 'Koen Stork was destijds ambassadeur in Boekarest. Na afloop van de Koude Oorlog zei hij: 'Ik heb een fotoalbum waar jij tientallen keren in voorkomt. Van de Securitate (de Roemeense geheime dienst ' red.). Aan ëën stuk door werd ik gekiekt, zeg. In mijn hotel, op straat in het restaurant. Tot in de ambassade aan toe.'

The Receptor: Maakte dat u boos?

Hofland: 'Het kon mij een zorg zijn. Ze kieken maar.'

 

Geen schijn van kans

'Verhalen schrijven, met de mensen lullen, en 's avonds dansen', zo vat de oud-buitenlandverslaggeverzijn werkzaamheden oostelijk van de Oder-Neisse-grens samen.  Verhalen over hoe de interne politieke verhoudingen waren, hoe het internationaal in elkaar zat. Maar ook over hoe de mensen leefden. 'Mensen op straat aanspreken. Bang waren ze. Maar meestal wist ik toch hun vertrouwen te wekken, en dan kwam er me toch een partij gekanker uit.'

The Receptor: In het Westen, ook in Nederland, heerste indertijd angst. 'De Russen komen!' Vond u dat een beklemmend idee?

Hofland: 'Welnee. Ik heb geen seconde geloofd dat we hier Russen zouden krijgen. Als de geallieerden hier de Duitsers eruit hadden weten te jagen, was er geen denken aan dat de Russen ook maar een schijn van kans maakten. Nog afgezien van het hele verhaal van de atoombommen en het nucleaire evenwicht. Maar er heerste toen een andere sfeer dan nu; bangigheid, geheimen, stiekeme burgeroorlogjes tegen mensen die niet vertrouwd werden.'

The Receptor: In tegenstelling tot het grootste deel van die angstige bevolking had u de kans om zelf keer op keer rond te kijken in het Rijk van het Kwaad, zoals Ronald Reagan het Oostblok laternoemde. Dacht men in Nederland wellicht dat u communistische sympathie'n had?

Hofland: 'Misschien wel. Maar ik had ze niet. Ik denk dat ik voor velen wel onthullende verhalen heb geschreven. Het waren daar geen bloeddorstige kapitalistenvreters, maar gewone mensen die ook met rust gelaten wilden worden en een zekere welvaart hadden. Ik heb altijd opgeschreven wat ik zag. Mijn mening, dat is iets heel anders. Je wist dat daar mensen gedeporteerd werden en dat je je mond moest houden over wat het regime onwelgevallig was. Maar denk je dat ik als journalist ter plaatse daar iets aan kon doen?'

 

Slechts ëën keer werd hij benaderd door de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). En dan ging het nog niet eens om zijn reizen naar communistisch gebied. 'Ik werd gebeld door ene meneer Jansen van de BVD die met me wilde afspreken', herinnert Hofland zich. 'Dat heb ik gedaan. En meneer Jansen zei: 'Wij vertrouwen uw chef niet. We zouden het zeer op prijs stellen als u zijn doen en laten eens zou willen noteren. Daar kunt u een ruime onkostenvergoeding voor indienen.' Ik zei: 'Ik ben humanist, geen geheim agent. Ik denk er niet over.' Daarmee was het gesprek afgelopen. Maar ik weet wel van mensen, niet de eerste de besten, die op de loonlijst van de BVD stonden. Collega's ook. Wat een rare tijd was dat, zeg.'

Close page