Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php on line 3

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php:3) in /home/thereceptor.nl/public_html/templates/item.php on line 21

Geheimen maken de held

Share on facebook Share on twitter
a A
Geheimen maken de held
— Christiaan FruneauxSaturday September 10 2011

Dat de geschiedenis onderhevig is aan wisselende interpretaties, mag een open deur heten. Maar ook open deuren moeten af en toe ingetrapt, zeker als daarachter vraagtekens schuilgaan. Christiaan Fruneaux buigt zich over onze nationale zelfbeeld. 'Sommige dingen moeten verborgen blijven, ook voor onszelf.'


Hoorn, 12 juli 2011.
De gemeenteraad is tot een besluit gekomen. De tekst onder het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op de Roode Steen, een centraal plein in de historische binnenstad,  zal worden aangepast en van een kritische noot worden voorzien.
Een half jaar eerder hadden buurtbewoners op verbeterdebuurt.nl laten weten het ongepast te vinden dat hun stad een massamoordenaar op een sokkel had staan. Coen,  vonden ze, moest verhuizen naar het Westfries Museum en plaats maken voor een 'echte' Hoornse held, namelijk Pieter Jansz Liorne, de uitvinder van het zogeheten fluitschip. De raad kon zich vinden in hun bezwaren, maar wilde Coen toch laten staan. Het was geen makkelijke beslissing. Hoe de kritische noot van de buurtbewoners precies wordt  geformuleerd is nog niet bekend. Ik stel me er het volgende bij voor: 'Dit is Jan Pieterszoon Coen. Hij kwam uit Hoorn, vermoordde veel mensen en maakte onze voorouders rijk en machtig. Lange tijd vonden we hem een held, maar nu niet meer. Want mensen vermoorden is niet goed. Dat vonden ze in zijn tijd ook, maar toen vonden ze rijkdom en macht belangrijker.'
De burgers van Hoorn: een held armer, maar een nuance rijker.

Niet iedereen in Nederland is gediend van historische nuancering. Lezers op Elzevier.nl beschuldigden het burgerinitiatief van, onder andere, geschiedvervalsing, politieke correctheid, hypocrisie en linkse flapdrollerij. Bovendien waren de slachtoffers van Coen kannibalen, koppensnellers en pedofielen.
De boodschap was duidelijk. Onze held was dan misschien wel een schoft, maar hij was onze schoft, en de anderen waren erger. Waarheidsbevinding mag niet ten koste gaan van het Wij-gevoel. Sommige dingen moeten verborgen blijven, ook voor onszelf ' of juist voor onszelf. Het geeft geen pas om de vuile was buiten te hangen; ons zelfbeeld staat op het spel.
Niet alleen ons zelfbeeld staat op het spel, ook wijzelf. Wie zijn we? Hoe herinneren wij onszelf? Wat vertellen we over onszelf en wat niet? Welke gebeurtenissen in het verleden benadrukken we, lichten we uit, en welke houden we verborgen? Wat maakt ons anders dan anderen?
Te veel historische nuance en het is de vraag of er wel een 'wij Nederlanders' bestaat.  Misschien zijn we helemaal niet zo anders, bestaat er helemaal geen 'wij' of is wie we zijn niet meer dan een bedenksel. Een verhaal, dat sommige historische gebeurtenissen uitlicht en andere verborgen houdt. Een zorgvuldig geconstrueerd imago waar we zelf in zijn gaan geloven.
Het Prisma Etymologisch woordenboek vermeldt bij geheim: 'bijvoeglijk naamwoord in de 16e eeuw, ontstaan uit het nieuwhoogduits 'geheim', wat eigenlijk 'wat tot het huis behoort' betekent (zie heem, of heim, wat 'woonplaats', of 'erf').
Geheimen zijn zaken die je binnenshuis houdt. Door iets geheim te houden, markeren we de grens tussen de binnen- en buitenwereld en defini'ren we ons huis; geheimen vormen zogezegd de onzichtbare muur tussen huis en wereld, tussen het individu en de groep en tussen ons en anderen. We krijgen dus gestalte door wat we laten zien en door wat we niet laten zien. Wat we verborgen houden maakt ons tot individuen en definieert ons als groep. Of zoals Orham Pamuk schrijft in zijn roman Sneeuw: 'Samen een geheim delen is het beste begin voor een goede vriendschap.'

Wie zetten we op een voetstuk? En wie of wat stoppen we in de kast?
Al tijdens zijn leven was Jan Pieterszoon Coen een onwaarschijnlijk rolmodel. Zijn heldendom is vanaf het begin controversieel geweest, en niet alleen omdat hij als gouverneur-generaal van Nederlands-Indi' de gehele bevolking van de Banda-eilanden liet uitroeien. Ver voordat de buurtbewoners in Hoorn hun protest tegen het standbeeld kenbaar hadden gemaakt, dreigde onze held al van zijn voetstuk te vallen.
In 1931, eenenzeventig jaar na de publicatie van Multatuli's Max Havelaar en achtendertig jaar na de feestelijke inhuldiging van het standbeeld in Hoorn, schreef J. J. Slauerhoff het toneelstuk Jan Pietersz. Coen. Het was een literaire interpretatie van Coens gezinsleven en werd bij verschijning onmiddellijk door de critici verguisd. Een ongunstige verbeelding van onze nationale held werd niet op prijs gesteld.
Slauerhoff had zijn toneelstuk gebaseerd op Sara Specx, de buitenechtelijke dochter van Jacques Specx en zijn Japanse concubine. Jacques Specx was een hoge VOC-beambte en Coens opvolger. Sara stond onder de hoede van Eva Mint, Coens echtgenote. Maar toen Coen het twaalfjarige meisje betrapte tijdens het liefdesspel met Pieter Cortenhoeff, een negentienjarige vaandrig, ontstak hij in woede en veroordeelde hij Sara stante pede tot de verdrinkingsdood in een ton.
Coens adviseurs wisten hem echter te overreden om genade te tonen. Hij liet Sara  vervolgens publiekelijk geselen, haar minnaar Cortenhoeff liet hij onthoofden. De vader van Sara was voor overleg in Nederland.
De kwestie was onmiddellijk een sensatie.
Jacques Specx nam de zaak hoog op. Hij was erg gesteld op zijn dochter. En thuis, in de Republiek, wijdde de dichter-staatsman  Jacob Cats er een paar smeuïge zinnen aan. De zaak werd  een onuitputtelijke bron voor vermaak, verontwaardiging en verbazing. Coen maakte het allemaal niet meer mee; hij stierf voordat Specx terugkeerde en hem afloste.
Pas in de negentiende- en twintigste eeuw, nadat Coen op zijn voetstuk was gezet als held der natie, gold de anekdote als omstreden. Historici vochten over de vraag of Coen nu wel of niet in zijn recht stond. En Slauerhoffs toneelstuk werd herhaaldelijk verboden. De Amsterdamse burgemeester D'Ailly verhinderde in 1948 een opvoering op het boekenbal in verband met de politionele acties van het Nederlandse leger in Indonesi'. En in 1968 werd de opvoering van het stuk opnieuw verboden. Dit keer in verband met de Nieuw-Guinea-kwestie.

Voor zover bekend is de mens de enige levensvorm die zich volledig van zichzelf bewust is. Dit zelfbewustzijn dwingt ons een beeld te creëren van onszelf. En omdat het zowel onmogelijk en onwenselijk is om alles te onthouden en te weten te komen moeten we keuzes maken.  
Wie willen we zijn?
Iedereen vertelt verhalen. Over zichzelf en over de rest van de wereld. Aan anderen, maar vooral aan zichzelf. Deze verhalen doen geen recht aan 'de werkelijkheid'; wel zorgen ze ervoor dat de wereld begrijpelijk wordt en van betekenis wordt voorzien. Door verhalen te vertellen onderscheid je je als individu ten opzichte van anderen. En gedeelde verhalen markeren de groep waartoe je behoort of wilt behoren. Ze geven identiteit en houvast en vormen een referentiekader om de wereld mee te interpreteren. Verhalen geven aan hoe je je verhoudt tot zaken als familie, bezit, seks, liefde, geloof, politiek, normen & waarden, idealen en smaak. Je vertelt verhalen in alles wat je (niet) doet of zegt. In wat je geheim houdt. Verhalen berusten voornamelijk op de dingen die je achterwege laat.
Betekenis is iets wat we toekennen, ze bestaat niet buiten onszelf. Dat is het verschil tussen werkelijkheid en fictie: alleen fictie geeft betekenis, namelijk als een constructie van de wereld door middel van subjectieve verhalen. De 'werkelijkheid' slaat nergens op, zou je kunnen zeggen.
In de negentiende eeuw, de eeuw waarin het nationalisme werd geboren, vertelden de Nederlanders elkaar dat ze een klein maar uitzonderlijk volk waren, in staat tot grootse daden. En we cre'erden de helden die dit beeld moesten bevestigden. Hun geschiedenissen waren de zuilen die het nationale verhaal ondersteunden: overal verschenen hun standbeelden, de geschiedenisboeken stonden vol met hun avonturen. Onze helden waren groter dan het leven zelf.
Toen koningin Wilhelmina zich op 14 mei 1940 vanuit Londen in een radiotoespraak tot de Nederlandse bevolking richtte, besloot ze met Coens beroemde woorden 'dispereert niet' ' wanhoop niet. Die woorden staan ook op zijn sokkel in Hoorn; ze zijn vooral in het eerste deel van de twintigste eeuw te pas en te onpas aangehaald. Weinigen kennen echter de volledige passage waaruit Wilhelmina citeerde. Haar oproep  om het hoofd niet te laten hangen was afkomstig uit een brief van Coens hand aan de Heren XVII, de zeventien leden die het bestuur vormden van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Coen vroeg om meer mannen, schepen en volk. Hij hield grote winsten in het vooruitzicht; als de VOC niet op zijn verzoek inging zou ze het berouwen. De rest van de passage is, hoewel iconisch, toch net iets minder troostend en verheffend dan de koningin suggereerde vanuit Londen. Coen schreef:

'Dispereert niet, ontsiet uwe vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen noch deeren, want Godt met ons is; en trect de voorgaende mislagen in geen consquentie, want daer can in Indien wat groots verricht ende daer connen tegelijck jaerlicx groote rijcke retoeren gesonden worden.'

Geheimen zijn belangrijk. Ze maken het leven zinvol. En houden de belofte in dat we onszelf kunnen overstijgen. Je wilt eigenlijk niet weten dat Marco Kroon ook een drugssnuivende barman met een stroomstootwapen is. Je wilt dat hij meer is dan zichzelf. Je wilt dat hij ons de hoop geeft dat we ooit kunnen ontsnappen aan de alledaagse werkelijkheid met al onze tekortkomingen.
Eigenlijk hebben we maar twee keuzes. Of we overstijgen onszelf of we leggen ons neer bij onze gebreken en hebben vrede met de onhebbelijkheden en tegenstrijdigheden van het bestaan.
In dit schrale licht bezien is de keuze van de Hoornse gemeenteraad voor het aanbrengen van een kritische noot op de sokkel van het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op de Roode Steen een dappere geweest. Hadden we Coen verplaatst naar het Westfries museum dan zouden we immers opnieuw de donkere kanten van het verleden hebben weggepoetst.
In een reactie laat de JOVD-fractie in Hoorn het volgende weten: 'Coen heeft genocide op zijn naam staan en wordt nu in Hoorn al meer dan een eeuw met een standbeeld vereerd. Het is onbegrijpelijk dat dit gebeurt en het is niet uit te leggen aan toeristen, stadsbezoekers of zelfs de inwoners van Hoorn zelf.' Een interessante reactie, waarin ' opnieuw ' de manier waarop we verhalen vertellen centraal staat. Welke keuzes maken we?
Een ding is zeker: voor het doorgronden van de ingewikkelde verhalen die ons zelfbeeld vormen (de historische fictie die we reflectie noemen) is tijd nodig. Voor wie het aan tijd ontbreekt: op een de hoeken van de Amsterdamse Beurs van Berlage is de beeltenis van Jan Pieterszoon Coen nog in volle glorie te bewonderen, inclusief zijn troostende woorden. En mocht dat niet genoeg zijn, dan hebben we in Amsterdam altijd nog de Coentunnel en binnenkort de Tweede Coentunnel.

Close page