Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php on line 3

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php:3) in /home/thereceptor.nl/public_html/templates/item.php on line 21

Cafe Spitfire

Share on facebook Share on twitter
a A
Cafe SpitfireFoto: Kaleb de Groot
— Joeri BoomFriday July 06 2012

Ze heeft haar haren geblondeerd, de nagels roze gelakt. Linda Grollitsch, nu zeventig, staat nog steeds achter de tap van Café Spitfire, waar de jonge Amerikanen van de vliegbasis zich laafden aan de drank, de meiden en de warmte van een surrogaatmoeder.

 

Wie op zoek is naar café Spitfire heeft grote kans er de eerste keer met de auto straal langs te scheuren. Het gebouw waarin het café is gevestigd was ooit een rustiek treinstationnetje. Nu ligt het aan een drukke autoweg. Het jachtige verkeer negeert massaal de kleine afrit die naar het café leidt. Toen de weg nog niet verbreed was tot de huidige racebaan, was er voldoende gelegenheid om te stoppen. Dan verkocht eigenaresse Linda Grollitsch soms wel duizend kopjes koffie met gebak tussen 9 en 12. ‘En dan moesten de Amerikanen van de vliegbasis nog komen’, vertelt ze. ‘Die kwamen meestal ’s avonds.’

 

De vliegbasis Soesterberg, tot 1994 bevolkt met Amerikaanse vliegeniers en ondersteunend personeel en in 2008 definitief gesloten, lag aan de overkant van de autoweg. De militairen kwamen meestal ’s avonds. En ze bleven lang. Heel lang. Een van de luchtverkeersleiders maakte er een gewoonte van zich tot in de kleine uurtjes te laten vollopen om dan doodleuk terug naar de basis te waggelen om het vliegverkeer te gaan leiden. ‘Er was een hoge officier die hier de hele nacht whisky dronk’, vertelt Linda Grollitsch. ‘Maar de volgende ochtend moest hij een oefening leiden. Kwamen ze hem hier zoeken. Hij zat hier met een meisje, dus hebben we hem verstopt achter de bar.’ 


Ze heeft haar nagels roze gelakt en draagt roze lippenstift. Haar haar is geblondeerd en om haar hals draagt ze verschillende gouden kettinkjes. Zeventig jaar is ze. Ze begon in de Spitfire op 1 september 1970. Over stoppen heeft ze nog geen seconde nagedacht. Ze zou niet weten wat ze met zichzelf aan moest als ze haar café niet meer had, zegt ze. Ze begeeft zich achter de bar, waar naast elkaar, bungelend aan hun kettinkjes, de dog tags  hangen van Amerikaanse militairen: de identiteitsplaatjes die elke militair verplicht is te dragen. Als ze werden overgeplaatst gaven sommige militairen hun dog tag aan Linda, die ze beschouwden als hun surrogaatmoeder. ‘Het was hier één grote familie. Soms was het best verdrietig hoor. Met moederdag liepen er hier veel te snotteren. Het waren vaak heel jonge jongens. Sommigen waren nog maar negentien.’ 

 

Favoriete bar

Minister van Defensie Henk Vredeling stond er geregeld dronken aan de bar. Marcel van Dam at zich er ongans aan gebraden kippetjes, en Ursul de Geer liet zichzelf en een geheime vriendin er whiskey serveren met een kannetje water. Maar de Spitfire was toch vooral de favoriete bar van de Amerikanen in Soesterberg. Niet alleen omdat-ie op een steenworp afstand lag van de basis, maar ook omdat ze er in uniform mochten verschijnen. En dat vonden de meisjes leuk. ‘Begin jaren tachtig stond de hele parkeerplaats hier vol met die grote Amerikaanse sleeën. Die lieten ze overkomen vanuit de States’, vertelt Linda. Al gauw mengden zich tussen de sleeën drommen taxi’s waar hooggehakte vrouwen uit kwamen. Dames waren zeer gecharmeerd van de Amerikaanse vliegeniers, zo bleek. Er kwamen hordes gescheiden vrouwen uit Utrecht. ‘Met van die taxibusjes waar ze met z’n tienen in konden’, vertelt Linda. ‘Uit Zeist kwamen de ongetrouwde meiden. Ook bij bosjes.’


In de back room, tegenwoordig een afgesloten rookruimte, kon geschuifeld worden. Meestal ontstonden daar de romances. Die hielden soms langer stand dan één nacht. Maar van de honderd meisjes die met een Amerikaan mee gingen naar de States, kwamen er negenennegentig weer terug, vertelt Linda. ‘Die jongens verdienden hier veel meer dan thuis. Ze kregen allerlei toelages en ze konden veel taxfree kopen op de basis: sigaretten, drank, benzine. Ze hadden gigantische tv-toestellen. Als er net uitbetaald was, kwamen ze hier biefstuk met patat en champignons eten. Soms wel drie keer op een dag. Die meisjes dachten: ze zijn rijk. Maar ze troffen bij hun thuis in Amerika een grote ellende aan. Eentje had gezegd dat hij een bloemenzaak had in New York. Het meisje dat bij hem zou gaan wonen was nog amper het vliegtuig uit of ze moest al met een mandje bloemen langs de weg lopen. Er was ook een hoge pief die heel wat leek. Zo’n echte hillbilly, uit de Achterhoek van Amerika. De meid die hij had verleid om met hem mee te gaan was zo clever om te zeggen: ik kom alleen als je een retourticket voor me koopt. Ze kwam ergens terecht waar geen water was, geen wc, en geen mens te bekennen in een omtrek van vijf kilometer.’ 


Ze mag dan wat meewarig spreken over de Nederlandse vrouwen die een Amerikaan achterna reisden die ze amper kenden, zelf verliet ze haar vaderland Oostenrijk eveneens voor de liefde. Haar latere Nederlandse echtgenoot kwam geregeld als toerist in het hotel van haar ouders, waar Linda werkte. Ze wist dat hij haar leuk vond. Op een dag bood hij haar een baan aan in Nederland: de waren uit zijn satéfabriek promoten op de Horeca Vakbeurs. Linda deed het. Maar het lukte hem niet haar in Nederland te houden: ze reisde steeds weer terug naar Oostenrijk. ‘Toen heeft hij de Spitfire voor me gekocht. Dat houdt haar wel hier, dacht hij.’ En dat klopte. Linda bleef en werd verliefd. Of werd verliefd en bleef. Dat laat ze in het midden. ‘Nu is hij alweer twaalf jaar dood’, zegt ze verdrietig. 


Ook de aantrekkingskracht van Amerika kent ze. ‘Ik zei vroeger altijd tegen mijn moeder: ik wil naar Amerika. Mijn moeder zei: aan het werk, jij, met je Amerika.’ Haar moeder besefte, denkt Linda, dat het beeld dat in Europa van Amerika bestond van geen kant klopte. Dat het er achterlijker en armoediger was dan hier. Zelf kwam ze daar achter toen ze ging reizen met haar man. Naar New York, Washington en andere Amerikaanse steden. En naar Thailand, en andere exotische plekken op de wereld. ‘Ik heb altijd hard gewerkt en heel veel geld opgemaakt. Ik kocht graag design-jurken. Met een vriendin liet ik ons vanuit Zwitserland met een privé-vliegtuigje naar de omringende landen vliegen.’ 

 

Herinneringen

We komen weer op de Spitfire. Onvermijdelijk. Linda’s mijmeringen over haar eigen leven worden telkens weer doorkruist door herinneringen aan de Amerikanen in haar bar. ‘Die donkere jongens waren eigenlijk heel onbeschoft met die meiden. Ze lieten ze altijd betalen, ook al hadden ze zelf een stapel geld op de bar liggen. Ik dacht: wat zijn die meiden stom. Ik probeerde soms voorzichtig commentaar te geven, maar het hielp allemaal niks. Als ik die jongens aansprak, lachten ze wat en deden gewoon wat ze wilden. Het lag ook wel aan de vrouwen zelf, hoor. Er was er een die hier vaak kwam. Ze was slim, ze had gestudeerd voor tandarts. Ze liet me zien wat ze voor haar militair had gekocht voor z’n verjaardag: een heel duur horloge. Ze ging naar hem toe om het hem te geven, maar trof hem in bed aan met een ander. Ze kwam helemaal overstuur terug. Maar na een poosje ging ze gewoon weer met een andere Amerikaan.’


Soms dacht Linda van een militair: die is best de moeite waard. ‘Dan was mijn man natuurlijk jaloers. Er was een officier die iedere dag kwam. Die was zó verliefd op mij. Hij wilde me een sportwagen geven. Hij dronk altijd alleen bier uit flesjes. Iedere avond een krat. Hij nam ons wel eens mee naar Utrecht of naar Amsterdam. Dan kreeg ik zijn portemonnee, zo dik. En ik maar rondjes geven. Hij werd overgeplaatst naar Italië, maar zelfs daarna kwam hij hier af en toe op visite.’ 


Van achter haar bar zag ze vaak meer dan anderen. Twee militairen kwamen vaak al ’s middags en gingen dan wat achteraf zitten. Dat is een stelletje, dacht Linda. ‘Na verloop van tijd kwam er nog maar eentje. Waar is je vriend, vroeg ik. Hij vertelde dat ze ontdekt hadden dat ze een verhouding hadden. Zijn vriend werd binnen twaalf uur ontslagen en gerepatrieerd. Homoseksualiteit was absoluut niet geaccepteerd.’


Linda had geen moeite om met de Amerikanen te praten – ze was altijd al de beste in haar klas met Engels. ‘Maar de die meiden hier spraken vaak geen woord Engels. Ik moest echt alles vertalen. Eentje ging ’s nachts met een Amerikaan mee. Ze belde me midden in de nacht op. Ze vertelde dat hij zo snurkte, maar dat iedere keer als ze hem aanstootte om hem te laten ophouden, hij dacht dat ze weer iets van hem wilde. En dan ging het weer loos. Toen moest ik midden in de nacht vertalen dat het haar daar niet om ging. ’s Ochtends belde ze me weer. Of ik wilde vragen wat hij wilde eten voor het ontbijt.’

 

Telefoontje 

Soms kwam het wél goed met een Spitfire-relatie. Linda wordt soms nog  opgezocht door Nederlandse vrouwen die naar de States zijn vertrokken, waar ze gelukkig getrouwd zijn, en in Nederland hun familie komen opzoeken. 


Een dag voordat we elkaar spreken was Lenny nog in de bar, vertelt ze. Hij werkte jarenlang op de basis. O jee, dacht Linda. ‘Hij had via mij een Nederlandse vrouw leren kennen met wie niet viel te leven. Echt een kreng. Maar hij trouwde met haar. Zegt-ie gisteren tegen me: waarom heb je me toen niet gewaarschuwd? Hij heeft het een paar jaar volgehouden, maar nu zijn ze gescheiden. Hij zegt dat ze hem sloeg.’


Linda zucht. ‘Ik mis ze heel erg.’ Even zit ze te peinzen. Dan zegt ze: ‘Misschien mis ik vooral die tijd in plaats van die Amerikaanse jongens. Je hoort nooit meer iets van ze. Ik kreeg wel nog een keertje telefoon van een piloot die was overgeplaatst naar een Amerikaanse basis. Hij had een probleempje. Hij zat in een club vlakbij de basis, een beetje zoals hier. “Linda”, zei hij, “ik heb afgesproken met vier verschillende meisjes. Wat moet ik in godsnaam doen?” Nou, zei ik, drie wegsturen.’ 

Close page