Deprecated: mysql_connect(): The mysql extension is deprecated and will be removed in the future: use mysqli or PDO instead in /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php on line 3

Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home/thereceptor.nl/public_html/lib/database2.inc.php:3) in /home/thereceptor.nl/public_html/templates/item.php on line 21

Sexy beest

Share on facebook Share on twitter
a A
Sexy beestBron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie
— Joeri Boom Friday July 06 2012

Journalist Joeri Boom werkte meer dan tien jaar als oorlogscorrepondent.  Steeds viel het hem op hoe aantrekkelijk militairen werden gevonden. Waarom? ‘De liefde voor de militair raakt aan onze oerdriften.’ 


Oorlog is verschrikkelijk, dat zal niemand ontkennen. Sinds lang hebben we afgeleerd om de vernietiging en bloeddorst die met oorlogvoering gepaard gaan te zien als iets aantrekkelijks. Maar de militair blijft sexy, en omdat we graag allemáál sexy willen zijn, duikt legerkleding op in het modebeeld. Daarbij is elke verwijzing naar oorlogsellende verdwenen. Kijk zomers eens om je heen. Het gros van de mannen draagt een halflange korte broek met camouflageprint. En dat zijn heus niet allemaal veteranen. Ook de complete gevechtsbroek, wijd en met brede zakken op de dij, maakt inmiddels deel uit van het straatbeeld in vredestijd. De laatste tijd zijn daar de militaire pet met klep bijgekomen en modieuze legergroene winterjassen, gemodelleerd naar de beroemde parachutistendracht van de Amerikaanse 101 Airborne Division, soms compleet met ‘screaming eagle’ (hun herkenningsteken) op de rechterschouder. Het Legermuseum in Delft hield jaren geleden een grote tentoonstelling over de invloed van militaire kleding op de burgermode. De voorbeelden zijn legio: de trenchcoat, de schoudervulling, het T-shirt (uitgevonden door de marine). 

 

We geven het niet graag toe, of misschien beseffen we het niet, maar de aantrekkingskracht van militairen gaat om meer dan hun kleding. Dat toont de volgende scène in de Zuid-Afghaanse provincie Uruzgan. We schrijven juni 2007, nauwelijks anderhalve week na een bloedige slag in de Chora-vallei tussen de Taliban en Nederlandse militairen. Daarbij werden honderden Talibanstrijders gedood. Eén Nederlander sneuvelde, vier raakten zwaargewond. De Afghaanse politie die met de Nederlanders meevocht verloor tientallen agenten. 


Na lang aandringen kon ik een week na de gevechten een bezoek brengen aan een kleine Nederlandse eenheid in de vallei. De mannen waren er gelegerd om Afghaanse militairen op te leiden. Ze hadden met hun Afghaanse rekruten een frontale aanval op de Talibanstrijders ingezet. De zes opleiders-vechters bij wie ik werd gestationeerd hadden werkelijk de dood in de ogen gekeken. Dat bleek niet alleen uit de verhalen over hun gevechtsacties, die ik overigens uit ze moest peuteren, maar ook uit hun gedrag. Tijdens de vele patrouilles in vijfenveertig graden hitte, die soms overgingen in een dagenlange jacht op de gehate Talibancommandant Hekmat die de gevechten overleefd bleek te hebben, toonden ze een opmerkelijke combinatie van uitgelaten levenslust en schrikachtige voorzichtigheid. 


Drie maanden na mijn twee weken durende stationering bij hun team (fysiek een van de zwaarste periodes uit mijn bestaan) kon heel Nederland genieten van hun galgenhumor en vechtlust. De NOS zond tv-beelden uit, gemaakt door een defensiefotograaf die met de ploeg verzeild raakte in een fikse hinderlaag. De beelden maakten diepe indruk in Nederland. Nederlandse militairen waren verwikkeld in gevechten op leven en dood: niks opbouwmissie, niks humanitaire actie. Lachwekkend waren nu de woorden van de minister van Defensie: ‘Ik wil de term oorlog voor deze operatie niet gebruiken’. 

 

Pinkjes omhoog

Sexy beesten, waren ze, mijn nieuwe vrienden. En ze wisten het. De scène waar ik op doel speelde zich af toen ik al meer dan een week met ze optrok. Een van de manschappen bevond zich in de grote, met camouflagenetten omhangen boogtent die diende als onderkomen van de eenheid. Een ander zat op een van pallethout geïmproviseerd stoeltje. De rest was bezig met wapens en voorraden. De militair in de boogtent liep rond met ontbloot bovenlijf. Opeens begon z’n collega op het palletstoeltje te declameren alsof hij de spreekstalmeester van een modeshow was. ‘Op de catwalk ziet u militair X. Hij draagt een elegante heavy duty army-broek. Hij completeert dit ensemble met een camo boxershort.’ De halfblote militair vulde aan: ‘Uiteraard vergeet hij daarbij niet de bijpassende accessoires’, en kwam heupwiegend de tent uit, de buikspieren strak aangespannen; in zijn handen, de pinkjes omhoog, een zwart glanzend automatisch geweer. Gejoel brak los, onmiddellijk werd de ‘catwalk’ bevolkt door meerdere spierbundels met bijpassende wapens. Voor mij was daarbij geen plaats. Niet omdat ik geen legerkleding droeg en nét iets minder goed in de spieren zat dan de militairen, maar omdat ik als journalist geen wapen droeg. Het ging niet om gevechtskleding of six packs. Wat hen zo aantrekkelijk maakte voor elkaar, was de dood die ze bij zich droegen. Een man met alleen zijn pen als wapen bleef een oninteressant muurbloempje. 


Hoe kan dat? Raken wij hier aan de oerdriften van de mens? Martin van Creveld, de beroemde Israëlische militair historicus, draait er niet omheen. Al decennia bestudeert hij oorlogvoering, zowel in moderne als archaïsche tijden. In zijn boek Oorlogscultuur (2009) trekt hij de conclusie: ‘De werkelijke reden dat er oorlog bestaat, is dat mannen van oorlog houden en vrouwen van krijgers.’ Van Creveld: ‘De menselijke emotie is naar mijn mening de echte oorzaak van oorlog. Aan de ene kant heb je angst, woede en wraak. Aan de andere kant is er de liefde: het verlangen je naasten en de mensen die je het meest liefhebt te beschermen – ook als daarvoor iemand moet sterven.’ Volgens Van Creveld oefent de krijger dus aantrekkingskracht uit op vrouwen omdat hij capabel is: hij zal haar en de kinderen uit alle macht beschermen.


Als het de natuur is die onze meer dan gemiddelde interesse voor de moderne krijger stuurt, waarom vallen we dan niet allemáál voor de mannen en vrouwen in uniform? Elders in deze krant wijst Linda Grollitsch, eigenaresse van Café Spitfire tegenover de oude vliegbasis Soesterberg, er fijntjes op dat het vooral de jonge (nog niet wereldwijze) meiden en (minder gewilde) gescheiden vrouwen waren die zich laafden aan de Amerikaanse vliegeniers in haar café. Zou dat wellicht  komen omdat in de loop der eeuwen duidelijk is geworden dat aan ‘militaire liefdes’ nogal wat nadelen kleven?

 

Angst en gemis

Het boek Liefde onder vuur (2008) van Patricia van den Broek werpt licht op de zaak. Van den Broek interviewde militairen en hun partners over hun liefdesleven. Het blijkt onmogelijk goed om te gaan met uitzendingen naar oorlogsgebied en de angst en gemis die daarbij horen. De liefde voor de militair is dubbelzinnig: hij vertegenwoordigt tegelijkertijd geborgenheid en vrees: de angst alleen achter te blijven.


In Liefde onder vuur staan onder meer dagboekfragmenten van een jonge vrouw die met haar militair een eerste kind heeft gekregen. Voor de bevalling mocht hij even terug uit Afghanistan naar Nederland. Als hij definitief van zijn missie terugkeert, is zijn geliefde dolblij. Maar al na drie maanden komen de twijfels. Uit haar overpeinzingen, geschreven als brieven aan haar pasgeboren dochter, blijkt dat ze schrikt van wat hij in Afghanistan heeft meegemaakt. Maar hij kan niet wachten om terug te gaan: ‘Het geeft me een rotgevoel: hij loopt gevaar en ik zit thuis met de stress. Nooit meer wil ik zwanger zijn als hij op missie is.’ 

 

Als vrouwen de krijgers niet meer steunen en liefhebben, zal een belangrijke drijfveer van oorlog wegvallen, stelt militair historicus Martin van Creveld. Het is de vraag of het ooit zover komt. Want in plaats van te bedenken of ze wel verder wil met dit leven, legt de geliefde van de Afghanistan-militair zich neer bij de ultieme consequentie ervan. Ze leest een interview met de weduwe van sergeant-majoor Jos Leunissen, die – een week voor de ‘modeshow – sneuvelde in de Chora-vallei, en een dochtertje achterliet. ‘We waren al vaak met zijn tweeën, maar nu zijn we dat definitief’, zei zij. ‘Het kan ons ook overkomen’, schrijft de peinzende geliefde in de brief aan haar dochtertje. ‘Dat accepteer ik, omdat het nu eenmaal hoort bij het type waar ik op val: stoer, sterk en avontuurlijk. Bij zo iemand voel ik me veilig.’

 

Joeri Boom was tot april 2012 redacteur voor weekblad De Groene Amsterdammer. Voor zijn reportages over de Nederlandse militaire aanwezigheid in Afghanistan, gebundeld in Als een nacht met duizend sterren, ontving hij de Dick Scherpenzeel Prijs 2010.

Close page